Het valt elk jaar op dezelfde manier op. Ergens in de laatste week van augustus zit je buiten, je kijkt op en het is donker, terwijl je zeker weet dat het twee weken geleden op ditzelfde tijdstip nog licht was. Dat is geen gevoel en geen nostalgie naar de zomer. Het is meetbaar, en de snelheid waarmee het gebeurt is op dit moment van het jaar het hoogst.
De reden ligt niet bij het weer maar bij de meetkunde van de aarde. En hoewel iedereen op school heeft gehoord dat de aarde scheef staat, wordt daar bijna nooit bij verteld wat er logisch uit volgt: dat het verlies aan daglicht niet gelijkmatig over het jaar verdeeld is, maar geconcentreerd in de weken rond het begin van de herfst.
De zon zakt nu het snelst
De aardas staat ruim drieëntwintig graden scheef ten opzichte van het vlak waarin de aarde om de zon draait. Die stand verandert niet terwijl we onze baan afleggen, en daardoor wijst het noordelijk halfrond een half jaar iets naar de zon toe en een half jaar iets ervan af. Wat wij ervaren als de hoogte van de zon boven de horizon is niets anders dan die kanteling, gezien vanaf een plek op ruim tweeënvijftig graden noorderbreedte.
Belangrijk is hoe die hoogte in de loop van het jaar verandert. Rond de langste en de kortste dag staat de zon een paar weken lang vrijwel stil op zijn hoogste of laagste punt. In het Latijn is dat ook precies wat het woord zonnewende beschrijft: de zon houdt op met stijgen of dalen en keert om. In die periode is het verschil van dag tot dag nauwelijks te merken. Rond de dag- en nachtevening, die dit jaar op 22 of 23 september valt, gebeurt het omgekeerde: dan verandert de zonshoogte het snelst en gaat het hard.
In cijfers is het verschil groot. Op de langste dag krijgt Nederland bijna zeventien uur licht, op de kortste dag nog geen acht. Daartussen zit ruim negen uur die in een half jaar wordt afgebouwd, maar niet met een vast tempo. Eind augustus verliezen we ruwweg drie minuten per dag, en in de weken rond de dag- en nachtevening loopt dat op tot ongeveer vier minuten. Dat is per dag onmerkbaar en per week ruim twintig minuten. Precies genoeg om er na een korte vakantie of een drukke werkweek van te schrikken.
Waarom de avond meer verliest dan de ochtend
Er is een tweede reden dat het nu extra opvalt, en die zit hem in de verdeling tussen de ochtend en de avond. Je zou verwachten dat het licht aan beide kanten van de dag even snel wordt weggenomen, maar dat klopt in deze periode niet. De baan van de aarde is geen perfecte cirkel en de aarde beweegt niet het hele jaar even snel, en daar komt bij dat de zon zich langs een schuine lijn ten opzichte van de evenaar verplaatst. Het gevolg is dat de zonnetijd en de kloktijd door het jaar heen uit elkaar lopen, met een verschil dat in de late zomer en de herfst het hardst oploopt.
Praktisch betekent dat: de zon gaat in deze weken sneller vroeger onder dan hij later opkomt. Van de minuten die we per dag verliezen, gaat het grootste deel van de avond af. En de avond is nu juist het deel van de dag waar mensen het licht bewust gebruiken, om te eten, te sporten, in de tuin te staan of nog even naar buiten te gaan. Het ochtendlicht verlies je terwijl je in de trein zit of achter je bureau; het avondlicht verlies je terwijl je erop rekende.
Daar komt eind oktober een schok bovenop. In de nacht van zaterdag op zondag 25 oktober gaat de klok een uur terug, en dan verschuift de zonsondergang in één keer van rond half zeven naar rond half zes. Dat is geen astronomisch verschijnsel maar een afspraak, en het is de enige stap in dit hele proces die niet geleidelijk gaat. Mijn indruk is dat het grootste deel van het najaarsgemopper daar vandaan komt, en niet van de zon. De natuurlijke afname is zo geleidelijk dat je hem nauwelijks registreert; het uur dat er op één nacht af gaat, voelt als een klap.
Hoe verder je van de evenaar komt, hoe sterker dit alles wordt. Rond de evenaar duurt de dag het hele jaar door ongeveer twaalf uur en bestaat dit verschijnsel simpelweg niet. Boven de poolcirkel is het omgekeerde waar en verdwijnt de zon in de winter wekenlang volledig. Nederland zit daar met tweeënvijftig graden ruim tussenin, precies in het gebied waar het seizoen zich het duidelijkst laat voelen zonder extreem te worden.
Wat het met een mens doet
De biologische klok in ons lichaam loopt niet exact op vierentwintig uur en wordt elke dag opnieuw gelijkgezet, vooral door licht in de ochtend. Als dat licht later komt en zwakker is, verschuift dat ijkmoment mee. Bij het merendeel van de mensen levert dat niet meer op dan wat traagheid in de eerste week van september. Bij een deel gaat het verder en leidt het tot slechter inslapen, later wakker worden en minder energie, klachten die vaak worden toegeschreven aan drukte terwijl de oorzaak boven de horizon hangt.
Dat de kwaliteit van je nachten daarbij zwaarder weegt dan het aantal uren, is inmiddels het uitgangspunt in vrijwel elk slaaponderzoek. Wie in deze periode merkt dat het ritme schuift, heeft doorgaans meer aan een vast opstaanmoment en aan buitenlicht in het eerste uur van de dag dan aan een uur eerder naar bed, iets wat ook naar voren komt in de vraag waarom slaapkwaliteit belangrijker is dan slaapduur. Buitenlicht is daarbij een categorie apart: zelfs op een grijze dag is het buiten vele malen sterker dan de verlichting in een kantoor.
Er zit ook een kant aan die niets met licht te maken heeft maar met gedrag. Zodra het om zeven uur donker is, verplaatst het leven zich naar binnen en zit een gemiddeld huishouden simpelweg meer stil. Dat effect is groter dan mensen denken, en het is een van de manieren waarop de donkere maanden fysiek aankomen zonder dat er iets aan je stemming mankeert. Wat lang stilzitten met je lichaam doet en hoe je dat doorbreekt, is een apart verhaal op zich, maar het begint hier, in de eerste weken van september, wanneer de wandeling na het eten vanzelf uit het rooster verdwijnt.
Interessant genoeg werkt het in de zomer ook de andere kant op. Dat mensen ook in de lichte maanden somber kunnen worden is minder bekend dan de winterversie, maar het bestaat en het treft in Nederland een kleine groep, iets wat terugkomt in wat we weten over het herkennen van een zomerdepressie. Het laat vooral zien dat het niet zozeer om licht of donker gaat, maar om de overgang: het lichaam heeft moeite met de weken waarin er iets snel verandert, in welke richting dan ook.
Wat mij betreft is dat het nuttigste inzicht van deze hele periode. De weken die nu komen zijn niet donker, ze worden donker, en dat is iets anders. De hoeveelheid licht die we half september nog hebben is groter dan die in maart, terwijl maart als hoopvol geldt en september als het begin van het einde. Het verschil zit niet in de zon maar in de richting waarin hij beweegt. Dat is de moeite van het weten waard, al was het maar omdat het verklaart waarom het einde van augustus altijd voelt als iets dat je is overkomen in plaats van iets dat elk jaar op precies dezelfde dagen gebeurt.






