Wie in deze stormachtige weken naar buiten wil, kijkt eerst op de buienradar. Meestal klopt het aardig, maar iedereen kent ook de bui die volgens de app al lang voorbij had moeten zijn. Het AD schreef zondag over Christophorus Buys Ballot, de wetenschapper die volgens de krant aan de wieg stond van de buienradar en de weerapp. Een goed moment om uit te leggen wat die radar eigenlijk ziet, en waar hij zich vergist.
Waarom Buys Ballot aan de basis staat
Buys Ballot richtte op 31 januari 1854 het KNMI op en werd de eerste directeur. Datzelfde jaar maakte hij de eerste weerkaart van Nederland, zo staat in een blog van Buienradar over zijn leven. Met stormwaarschuwingen maakte hij de scheepvaart veiliger. In 1878 richtte hij het Internationaal Meteorologisch Comité op, de voorloper van de huidige Wereld Meteorologische Organisatie.
Dat laatste is de echte link met je weerapp. Weerberichten draaien op het uitwisselen van metingen over landsgrenzen heen, en dat principe zit ook in het radarbeeld op je telefoon. Daarnaast is Buys Ballot bekend van de wet die zijn naam draagt. Sta je op het noordelijk halfrond met de wind in je rug, dan ligt het lagedrukgebied links van je en het hogedrukgebied rechts.
Wat een neerslagradar eigenlijk meet
Het KNMI heeft twee neerslagradars, een in Herwijnen in de Betuwe en een op een gebouw van de Koninklijke Marine in Den Helder. De eerste weerradar van het KNMI stond in 1959 op Schiphol, de radar in De Bilt is sinds 2016 niet meer in gebruik, zo blijkt uit het overzicht van het KNMI. Apps als Buienradar gebruiken de gegevens van het KNMI.
Een radar meet geen regen. De schotelantenne zendt voortdurend pulsen uit, en druppels, sneeuwvlokken en hagelstenen kaatsen een deel daarvan terug. Uit de sterkte van dat teruggekaatste signaal berekent het KNMI hoe hard het regent, en dat zie je als kleuren op de kaart. Voor het beeld boven Nederland gebruikt het KNMI ook drie Belgische en drie Duitse radars. Samen bestrijkt het netwerk een straal van ongeveer 320 kilometer rond elke radar.
Die afstand is meteen het eerste probleem. Binnen zo’n 120 kilometer ziet de radar neerslag tot op ongeveer 1500 meter hoogte. Verder weg kijkt de bundel door de kromming van de aarde over alles heen en komen de echo’s van zes tot acht kilometer hoogte, staat in de uitgebreide toelichting van het KNMI.
Waarom de bui soms toch anders valt
De meeste vergissingen hebben een natuurkundige oorzaak, en het helpt om ze te kennen.
De regen komt niet aan. Is de lucht tussen twee en zes kilometer hoogte droog, dan kan neerslag onderweg verdampen. De radar ziet het hoog in de lucht vallen, maar op de grond blijft het droog of valt er bijna niets.
De radar ziet het niet. Motregen uit lage wolken, met een basis rond 500 meter, valt soms onder de bundel door. Mist ziet een radar helemaal niet. Je wordt dan nat terwijl de kaart leeg is.
Een zware bui verbergt zichzelf. Bij heel intensieve neerslag komt de bundel er niet doorheen. Een groot buiengebied lijkt dan kleiner dan het is.
Iets in de weg. Gebouwen, bomen en heuvels kunnen het signaal blokkeren. Bij Herwijnen gaat het om een rij hoge populieren van de gemeente West Betuwe. De NOS meldde in juni dat die een strook richting Duitsland verstoren, tussen Arnhem en Nijmegen en over Doetinchem. Vooral in de zomer, als de bomen in blad staan, valt er daar soms meer of minder regen dan de radar aangeeft. Het KNMI vult het gat deels op met Belgische en Duitse radars en corrigeert de gegevens.
Echo’s die geen regen zijn. Bij een temperatuurinversie, die vooral in het voor- en najaar voorkomt, kan de bundel naar beneden buigen en de grond of het zeeoppervlak raken. Golven, schepen en windparken geven dan echo’s die op regen lijken. Den Helder heeft daar het meeste last van, door de overgang van land naar zee. Het KNMI filtert dat zo goed mogelijk weg, maar juist in deze tijd van het jaar is het iets om te weten.
Het verschil tussen radar en verwachting
Het radarbeeld laat zien wat er nu valt. De voorspelling voor het komende uur in je app is iets anders. Die ontstaat door het neerslagveld in de tijd over de kaart te schuiven, in de richting waarin het beweegt. Volgens het KNMI werkt dat het best bij een goed georganiseerd front. Bij buien die nog in ontwikkeling zijn, is het minder zeker, omdat ze heviger of zwakker kunnen worden en er onderweg nieuwe buien kunnen ontstaan.
Daar zit volgens mij de grootste bron van teleurstelling. Een bui die volgens de app om kwart over drie stopt, is geen meting maar een rekensom die ervan uitgaat dat de bui zich niet verandert. Op een dag met een rustig regenfront klopt dat vaak op een paar minuten. Op een buiige herfstdag met snel opbloeiende buien is het eerder een richting dan een tijdstip.
Het KNMI raadt daarom aan om naast het radarbeeld ook de actuele verwachting en waarschuwingen te bekijken. Daarin zitten de modelberekeningen en de inschatting van de meteoroloog. Hoe die waarschuwingen sinds kort per gebied werken, lees je in ons stuk over code oranje voor jouw regio. Wie een fietstocht plant, doet er goed aan de radar als hulpmiddel voor de korte termijn te gebruiken en verder niet blind te varen op de minuten in de app.






