Elk jaar in september staat er een getal in het nieuws: de koopkracht. Dit jaar luidde dat, op basis van de Macro Economische Verkenning van het Centraal Planbureau, plus 0,6 procent voor 2026 en min 0,1 procent voor 2027. Nu de begroting door de Tweede Kamer gaat, komen die cijfers weer vaak voorbij. Maar bijna niemand gaat er precies 0,1 procent op achteruit. Dat komt door de manier waarop dat cijfer wordt gemaakt.
Wat het CPB eigenlijk uitrekent
Koopkracht is het reëel besteedbare inkomen van een huishouden: wat er van het bruto-inkomen overblijft na belasting en premies, plus toeslagen als huurtoeslag en kinderbijslag, gecorrigeerd voor de prijsstijging. Zo staat het in een oud maar nog altijd bruikbaar artikel in ESB. Het gaat daarbij steeds om de verandering ten opzichte van het jaar ervoor.
Het cijfer dat het nieuws haalt is de mediaan, en die term doet ertoe. Zet alle huishoudens op volgorde van hun koopkrachtverandering en kijk naar de middelste. Het is dus geen gemiddelde. Uitschieters trekken het getal dus niet omhoog of omlaag. Tegelijk zegt het ook niets over de spreiding: de helft van de huishoudens kan het een stuk slechter of beter hebben dan die ene waarde.
Het CPB rekent daarbij statisch. Het gaat ervan uit dat er in je huishouden niets verandert. Je houdt hetzelfde werk, dezelfde woning en dezelfde gezinssamenstelling, en alleen lonen, prijzen, belastingen en toeslagen bewegen. In de MEV 2027 heet de regel dan ook letterlijk “Koopkracht, statisch, mediaan alle huishoudens”. Dat cijfer rust op drie pijlers: de ontwikkeling van cao-lonen, de inflatie en het overheidsbeleid.
Dit is ook waarom het kabinet er zo op let. Het statische cijfer laat zien welke groepen door beleid het hardst worden geraakt, zodat daar nog aan kan worden gesleuteld. Het is een meetlat voor beleid, en die vraag verschilt van wat er onderaan jouw loonstrook gebeurt.
Waarom jouw portemonnee daarvan afwijkt
De NOS schreef er in 2022 een helder stuk over. Econoom Jasper Lukkezen schatte daarin dat persoonlijke gebeurtenissen zoals verhuizen, ander werk of kinderen krijgen ongeveer tien keer zoveel effect hebben als beleid. Die dynamische koopkracht is pas achteraf te meten.
Die kloof is niet nieuw. In het ESB-artikel, uit 1998, staan cijfers van het CBS, dat toen meer dan 75.000 huishoudens volgde. In de jaren 1991 tot 1996 was de mediane stijging 3,5 procent, terwijl ongeveer een op de zes mensen meer dan 20 procent koopkracht verloor en bijna drie op de zes er meer dan 20 procent op vooruitging. Die percentages zijn oud, maar laten goed zien hoeveel er achter een enkel middengetal schuilgaat.
Daar komen nog een paar zaken bij die je zelf misschien direct merkt.
- Je eigen prijzen. Het cijfer werkt met een gemiddelde inflatie, en het inflatiecijfer van het CBS lijkt zelden op je eigen boodschappen. In 2022 hadden huishoudens met een lang vast energiecontract volgens de NOS een inflatie van ongeveer 6,2 procent, tegenover 12 procent gemiddeld in augustus van dat jaar.
- Je eigen cao. Het CPB raamt voor bedrijven een cao-loonstijging van 4,2 procent in 2026 en 3,8 procent in 2027. Dat is een middenwaarde. Jouw cao kan vroeger, later of lager uitkomen.
- Het moment. Koopkracht is een jaarcijfer. Een loonsverhoging in december telt vooral mee voor het jaar erna en zie je niet terug op je loonstrook van januari, legt het ESB-artikel uit.
- Wat er niet in zit. Giften, erfenissen en vermogenswinsten blijven volgens ESB buiten beeld, net als zwart inkomen.
Een raming is geen meting
Het getal uit september is bovendien een voorspelling, en die verandert nog. Voor 2027 gaf de conceptraming van augustus nog min 0,3 procent. Door de miljoenennota, met onder meer een hogere arbeidskorting en minder belastingverhoging in de eerste en tweede schijf, werd dat min 0,1 procent.
Hoe groot die verschillen kunnen zijn, laat 2022 zien. Volgens de NOS was de raming een jaar eerder nog plus 0,1 procent. Op Prinsjesdag 2022 verwachtte het CPB een daling van 6,8 procent. In de tabel van de MEV 2027 staat voor datzelfde jaar nu min 2,5 procent. Dat verschil komt niet alleen door nieuwe informatie. Het CPB rekent in zijn mediane cijfers inmiddels ook met een alternatieve prijsindex, zo staat in de voetnoot van de tabel. Een terugblik met zo’n reeks is dus iets anders dan de raming die destijds in de krant stond.
| Jaar | Mediane koopkracht (statisch) | Inflatie (cpi) |
|---|---|---|
| 2023 | -0,7% | 3,8% |
| 2024 | 2,9% | 3,3% |
| 2025 | 1,0% | 3,3% |
| 2026 (raming) | 0,6% | 3,3% |
| 2027 (raming) | -0,1% | 2,7% |
Wie er volgend jaar het meeste van merkt
Het CPB maakt wel onderscheid tussen groepen. Volgens de MEV 2027 gaat bijna elke groep er in 2027 licht op achteruit. Gepensioneerden zijn de uitzondering: zij gaan er in beide jaren in doorsnee relatief sterk op vooruit door hoge pensioenindexaties, al dempt de lagere ouderenkorting dat in 2027. Het percentage mensen in armoede blijft met 2,6 procent gelijk aan 2026.
CPB-directeur Pieter Hasekamp gaf in augustus bij de NOS een voorbeeld van waar het pijn gaat doen: een slecht geïsoleerd huis in combinatie met een relatief laag inkomen. Dat type situatie zit niet in de ene mediaan, en juist daarom is die mediaan geen antwoord op de vraag hoe het jou vergaat.
Hoe je jouw eigen koopkracht inschat
Wil je een eerlijker beeld, leg dan twee getallen naast elkaar: je netto-inkomen over een heel jaar, inclusief toeslagen en vakantiegeld, en dat van het jaar ervoor. Ga na welke vaste lasten daarnaast zijn veranderd, zoals huur of hypotheek, energie en zorgpremie. Is je netto-inkomen meer gestegen dan je uitgaven, dan is jouw koopkracht gegroeid, wat de krant ook meldt. Verandert er volgend jaar iets aan je werk of inkomen, dan is het ook de moeite waard om je voorlopige aanslag na te lopen.






