Op 15 oktober deed het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg een uitspraak die veel mensen met een bankrekening raakt. Wie slachtoffer wordt van phishing en geld kwijtraakt via een betaling die hij niet zelf heeft gedaan, moet dat bedrag in principe direct terugkrijgen van de bank. Ook als de bank vindt dat de klant grof nalatig is geweest. De zaak ging over een Poolse vrouw, en toch geldt de uitkomst ook voor jouw bank in Nederland. Hoe kan dat? Daarvoor moet je weten hoe dat Europese Hof werkt.
Wat het Hof van Justitie is
Het Hof van Justitie is de hoogste rechter van de Europese Unie en zit in Luxemburg. Er zitten 27 rechters, één uit elke lidstaat, en daarnaast 11 advocaten-generaal, schrijft het Hof zelf op zijn website. Rechters worden benoemd voor zes jaar, en die termijn kan worden verlengd. Een advocaat-generaal is geen advocaat van een partij, zoals de naam doet vermoeden, maar een onafhankelijke jurist die in sommige zaken vooraf een advies geeft. Het Hof volgt dat advies vaak, maar niet altijd.
Naast het Hof bestaat het Gerecht, een tweede Europese rechtbank die onder meer zaken van bedrijven tegen de Europese Commissie behandelt. Samen heten ze het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het is iets anders dan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg, dat bij de Raad van Europa hoort en over mensenrechten gaat. Die twee worden in het nieuws regelmatig door elkaar gehaald.
Hoe een zaak in Luxemburg belandt
Als burger kun je niet zomaar naar het Hof stappen met een ruzie met je bank. De weg loopt bijna altijd via een gewone rechter in je eigen land. Dat ging in de phishingzaak ook zo. Volgens het persbericht van het Hof verkocht de vrouw iets via een online verkoopplatform. Een zogenaamde koper stuurde haar een link om de verkoop te bevestigen, die uitkwam op een nagemaakte website van haar bank. Ze vulde haar inloggegevens in, en de oplichter maakte omgerekend ongeveer 700 euro over naar zijn eigen rekening. Ze meldde het de volgende dag bij haar bank, maar die weigerde te betalen omdat ze haar inloggegevens niet goed had beschermd.
De vrouw stapte naar een Poolse rechter. Die liep vast op een vraag over Europese regels, namelijk de Europese richtlijn voor betaaldiensten uit 2015 (PSD2). Mag een bank de terugbetaling weigeren als ze vindt dat de klant grof nalatig was? De Poolse rechter legde die vraag voor aan het Hof. Dat heet een prejudiciële vraag, en het is het belangrijkste werk van het Hof. Volgens het Hof zelf gaat het om meer dan zestig procent van alle zaken.
Dat soort vragen kost tijd. Een prejudiciële procedure duurde in 2025 gemiddeld 16,9 maanden, blijkt uit de jaarcijfers van het Hof. In die periode ligt de zaak bij de nationale rechter stil. Het Hof beslist ook niet wie er gelijk heeft in de ruzie zelf. Het legt alleen uit hoe de Europese regel moet worden gelezen. Daarna gaat de zaak terug naar de Poolse rechter, die het geschil met dat antwoord afmaakt.
Waarom een Poolse zaak ook over jouw bank gaat
Hier zit de kern. Het antwoord van het Hof geldt niet alleen voor die ene Poolse vrouw. Het Hof schrijft in zijn persbericht dat de uitleg ook bindend is voor andere rechters in andere landen die met dezelfde vraag te maken krijgen. Elke rechter in de EU moet de richtlijn voortaan zo lezen.
Voor Nederland komt dat neer op het Burgerlijk Wetboek. De Europese richtlijn is bij ons omgezet in artikel 7:528 en 7:529. Het eerste artikel zegt dat de bank een niet-toegestane betaling onmiddellijk terugbetaalt, en uiterlijk aan het eind van de volgende werkdag. Het tweede zegt dat de klant het verlies zelf draagt als hij met opzet of grove nalatigheid zijn verplichtingen niet nakwam, zoals het geheimhouden van zijn inlogcodes. Zoals de Poolse bank in deze zaak, lazen banken die twee regels in de praktijk vaak in één keer. Wie in hun ogen grof nalatig was, kreeg niets terug en moest zelf maar een klacht indienen, bijvoorbeeld bij het Kifid.
Het Hof haalt die twee vragen nu uit elkaar. Eerst betaalt de bank terug, binnen een werkdag. Pas daarna mag de bank proberen het geld terug te halen, en dan moet de bank bewijzen dat de klant grof nalatig was. Er is maar één uitzondering op die snelle terugbetaling, namelijk als de bank een redelijk vermoeden heeft dat de klant zelf fraude pleegt en dat meldt bij de bevoegde instantie. Het Hof legt ook uit waarom. Als een bank zich vooraf op nalatigheid kan beroepen, wordt de plicht tot directe terugbetaling zinloos en moet de klant zelf gaan procederen, met alle kosten van dien.
Wat dat in de praktijk betekent
Ik vind dit een van de duidelijkste voorbeelden van hoe ver Luxemburg van je af lijkt en hoe dichtbij het toch komt. Een ruzie over 700 euro in Polen verandert de onderhandelingspositie van iedere Nederlandse rekeninghouder die wordt opgelicht. Het verschil zit vooral in wie er moet bewegen. Eerst moest de klant de bank overtuigen, nu moet de bank de klant overtuigen, met het geld al terug op de rekening.
Twee kanttekeningen horen er wel bij. Ten eerste geldt dit voor betalingen die je niet zelf hebt goedgekeurd, zoals in deze zaak, waar de oplichter met gestolen inloggegevens zelf het geld overmaakte. Heb je zelf geld overgemaakt aan een oplichter, bijvoorbeeld bij een nepbankmedewerker aan de telefoon, dan kan dat juridisch een andere situatie zijn. Ten tweede moet je de bank meteen inlichten zodra je het merkt, want de terugbetalingsplicht geldt alleen als je zonder onnodige vertraging meldt.
Hoe Nederlandse banken hun werkwijze aanpassen, is nog niet bekend. De Nederlandse Vereniging van Banken bestudeert de uitspraak, meldde Opgelicht?!. Ben je slachtoffer, bel dan direct je bank, doe aangifte en meld het ook bij de Fraudehelpdesk. En weigert je bank met een beroep op grove nalatigheid, dan is het zinvol om naar deze uitspraak te verwijzen. Zaaknummer C-70/25 is het nummer om te noemen.






