Er is een zin die ik in elke redactievergadering weer hoor, en die me elke keer weer irriteert: de cijfers spreken voor zich. Ze doen dat namelijk nooit. Een getal in een nieuwsbericht is het eindpunt van een reeks keuzes, en wie die keuzes niet meelevert, levert geen feit maar een indruk. Dat geldt voor een percentage in een kop, voor een verdubbeling in een tussenzin en voor een grafiek waarvan de verticale as ergens halverwege begint. Ik denk dat de lezer daar meer last van heeft dan van uitgesproken meningen, want een mening herken je en een getal geloof je.
Neem de klassieker: iets is met honderd procent toegenomen. Dat klinkt alarmerend, en dat is precies waarom het zo graag in een kop wordt gezet. Maar honderd procent van wat? Als een zeldzame aandoening vorig jaar bij vier mensen werd vastgesteld en dit jaar bij acht, is dat een verdubbeling en tegelijk een nietszeggende beweging. Vier gevallen erbij kunnen op toeval berusten, op een arts die er beter naar is gaan zoeken, of op een registratie die van systeem is veranderd. Wie alleen de verdubbeling leest, kan geen van die drie mogelijkheden wegen. Wie de vier en de acht erbij krijgt, kan dat wel. Dat is geen detail voor de liefhebber, dat is het verschil tussen informatie en sfeer.
Het spiegelbeeld komt net zo vaak voor. Een percentage dat klein oogt, kan over enorme aantallen gaan. Een verandering van een half procent op een bevolking van bijna achttien miljoen mensen betekent dat er tienduizenden levens anders lopen. In berichtgeving over vaccinatiegraad zie je dat verschil tussen relatief en absoluut voortdurend terug, en het bepaalt volledig of een bericht geruststellend of verontrustend klinkt, terwijl het over hetzelfde cijfer gaat. Dat wereldwijd meer kinderen worden gevaccineerd terwijl de verschillen tussen landen groot blijven, is een zin die alleen te begrijpen valt als je beide getallen tegelijk in beeld hebt.
De vragen die ik zelf altijd stel
Ik heb er in de loop der jaren een gewoonte van gemaakt om bij elk getal dat een redactie binnenkomt dezelfde dingen na te lopen, en het verbaast me hoe vaak daar iets uitvalt. De eerste vraag is waar het vandaan komt. Een getal uit een statistisch bureau, een getal uit een studie en een getal uit een persbericht van een belanghebbende partij zijn drie verschillende soorten getallen, ook als ze in dezelfde zin passen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek publiceert zijn methoden er standaard bij, en die zijn gewoon openbaar. Een marktpartij die onderzoek laat doen naar de markt waarin zij zelf zit, publiceert doorgaans alleen de uitkomst.
De tweede vraag is waarover het gaat. Een onderzoek onder duizend Nederlanders is iets anders dan een onderzoek onder duizend bezoekers van een website, en dat verschil verdwijnt in de kop altijd. Zelfselectie is de stilste vervorming die er bestaat: mensen die de moeite nemen een vragenlijst in te vullen over een onderwerp, hebben bijna per definitie een sterkere mening over dat onderwerp dan de mensen die dat niet doen. De uitkomst is dan niet fout, hij gaat alleen over een andere groep dan de kop suggereert.
De derde vraag is met welk moment het wordt vergeleken. Dit is de vervorming waar ik het meest boos over kan worden, omdat hij zo makkelijk te maken en zo moeilijk te weerleggen is. Vergelijk je met vorige maand, met dezelfde maand vorig jaar, of met het gemiddelde van de vijf jaar daarvoor? Alle drie zijn verdedigbaar, en alle drie geven een ander verhaal. Bij seizoensgebonden verschijnselen is de keuze zelfs bepalend voor de richting van de conclusie. Wie het aantal verkoudheden in september vergelijkt met dat in juli, ontdekt een explosie die elk jaar plaatsvindt en niets betekent.
Waarom de kop het altijd wint
Ik wil niet doen alsof journalisten hier moedwillig mee sjoemelen. In de praktijk is het meestal een kwestie van ruimte. Een kop heeft ongeveer zeventig tekens, en in zeventig tekens past geen noemer, geen onzekerheidsmarge en geen vergelijkingsjaar. De nuance verhuist dan naar de derde alinea, en die wordt door een groot deel van de lezers niet gehaald. Het gevolg is dat de vervorming in de opmaak zit en niet in de intentie, wat het lastiger te bestrijden maakt dan gewone slordigheid.
Toch vind ik dat we ons daar niet achter kunnen verschuilen, en wel om een reden die weinig met journalistiek te maken heeft. Cijfers die zonder context circuleren, krijgen een tweede leven. Ze worden losgeknipt, in een afbeelding gezet en jaren later opnieuw gedeeld, zonder bron en zonder jaartal. Op dat moment is het getal geen samenvatting meer van onderzoek, maar een op zichzelf staande bewering die niemand meer kan controleren. De verantwoordelijkheid van de eerste publicatie reikt dus verder dan de dag van publicatie.
Er is een categorie waar het wel goed gaat, en die is leerzaam. Bij het weer zijn we er als publiek aan gewend geraakt dat een waarschuwing een kans uitdrukt en geen zekerheid. Niemand vindt het gek dat een aangekondigde storm kan meevallen, omdat de manier waarop een weeralarm tot stand komt jarenlang is uitgelegd. Diezelfde gewenning ontbreekt bij gezondheidscijfers, economische ramingen en peilingen, terwijl daar precies dezelfde onzekerheid in zit. Dat is geen kwestie van intelligentie bij de lezer, maar van uitleg bij de zender.
Wat helpt is verrassend eenvoudig, en kost meestal één zin. Zet het absolute aantal naast het percentage. Noem de groep waarover het gaat. Noem het vergelijkingsmoment. En als er een marge is, noem die dan ook, want een uitslag van drieënveertig procent met een marge van drie procent is iets anders dan drieënveertig procent. Ik heb nog nooit een bericht gezien dat slechter werd van die ene extra zin, en ik heb er talloze gezien die er pas door te begrijpen waren.
Het mooiste voorbeeld van een cijfer dat zichzelf uitlegt, kwam ik tegen bij een aandoening die ongeveer een op de duizend Nederlanders treft. Dat is een formulering waar je meteen iets mee kunt: je weet hoe groot je eigen omgeving is, en je kunt inschatten of je zoiets ooit zult tegenkomen. Zet daar tegenover dat een aandoening bij nul komma één procent van de bevolking voorkomt en er verandert niets aan de inhoud, maar wel aan wat een lezer ermee kan. Getallen die je kunt navertellen aan iemand anders zijn de enige die blijven hangen, en dat is uiteindelijk de test die ik zou willen dat elke redactie hanteert.







