Op 10 oktober 2026 registreerde het KNMI een kleine aardbeving bij Eupen in België, net over de grens bij Zuid-Limburg. Magnitude 1,5, op 12 kilometer diepte, zo staat in de melding van het KNMI. Bijna niemand zal hem gevoeld hebben. Een beving van dezelfde sterkte in Groningen merken mensen soms wel. Hoe kan dat, en hoe weet het KNMI eigenlijk binnen een paar minuten waar en hoe hard de aarde heeft getrild?
Een netwerk van zo’n 250 meetstations
Het KNMI heeft de wettelijke taak om aardbevingen in Nederland te meten en het publiek te informeren. Daarvoor staan er volgens het KNMI zo’n 250 seismische meetstations door het hele land, die dag en nacht trillingen registreren. Er zijn drie soorten.
- Stations aan het oppervlak, vooral in Limburg en Brabant, voor natuurlijke bevingen die op meer dan tien kilometer diepte ontstaan
- Boorgatstations, waarbij sensoren op verschillende diepten tot 200 meter in de grond zitten, vooral in Groningen en Noord-Holland
- Versnellingsmeters, die meten hoe hard de grond aan het oppervlak beweegt
Waarom die boorgaten? Aan het oppervlak trilt altijd wel iets, van verkeer tot wind. Hoe dieper de sensor, hoe minder last hij heeft van die ruis. Het bekendste station is Heimansgroeve in Limburg, dat sinds 1993 zeven meter onder de grond op vaste rots staat.
Het netwerk is niet overal even gevoelig. In heel Nederland worden bevingen vanaf magnitude 2,0 opgemerkt, in gebieden met mijnbouw of geothermie vanaf 1,0, en in Groningen al vanaf 0,5.
Magnitude, wat dat getal zegt
De magnitude is de kracht van de beving bij de bron. Het KNMI gebruikt daarvoor vooral de lokale magnitude, een variant van de bekende schaal van Richter die in 1935 voor Californië werd bedacht. Volgens het KNMI zijn er drie versies voor Nederlandse omstandigheden, voor bevingen door gaswinning, voor natuurlijke bevingen in het zuiden en voor Caribisch Nederland.
De schaal is logaritmisch, en dat is het lastigste stuk om je voor te stellen. Elke hele stap omhoog betekent een tien keer zo grote uitslag op de seismometer en ongeveer 32 keer zoveel vrijgekomen energie. Een beving van 3,5 is dus geen beetje sterker dan een van 2,5, maar een veelvoud.
Direct na een beving berekent een computer automatisch de plaats en de magnitude. Bij Eupen staat er nog bij dat de uitkomst zonder tussenkomst van een seismoloog is bepaald, en dat de meetstations uitkwamen tussen 1,4 en 1,7. Een seismoloog kijkt daarna nog naar de gegevens, en soms verschuift de magnitude dan een tiende.
Waarom je de ene beving voelt en de andere niet
Hier zit het verschil tussen Eupen en Groningen. De magnitude zegt iets over de bron, maar niet over wat je thuis merkt. Dat heet de intensiteit, en die hangt vooral af van de diepte en de afstand.
De bevingen in Groningen ontstaan door gaswinning in een zandsteenlaag op ongeveer drie kilometer diepte. Dat is heel ondiep. De energie hoeft maar een korte weg af te leggen, en komt daardoor met relatief veel kracht aan de oppervlakte. Volgens het KNMI merken mensen daar bevingen vanaf magnitude 1,5 al op. Het voelt dan alsof er een zware vrachtwagen door de straat rijdt. Bij een sterkere beving voelt het eerder alsof die vrachtwagen tegen je huis botst.
Natuurlijke bevingen in Limburg en net over de grens liggen veel dieper, zoals die bij Eupen op twaalf kilometer. Tegen de tijd dat de trilling boven is, is er weinig van over. Een beving van 1,5 op die diepte voel je in de praktijk niet.
Ook de bodem onder je huis en de bouw van je woning tellen mee. Op slappe grond kan een trilling sterker doorkomen, en op een hogere verdieping merk je soms meer dan beneden.
Intensiteit en de schaal van twaalf
Om te beschrijven wat een beving aan de oppervlakte doet, gebruikt Europa de Europese Macroseismische Schaal, kortweg EMS-98. Die loopt van I tot XII, van niet gevoeld tot volledige verwoesting. Daarbij gaat het niet om een meting met een apparaat, maar om wat mensen merken en wat er met gebouwen gebeurt. Daarom vraagt het KNMI na een voelbare beving ook aan mensen om door te geven wat ze hebben gemerkt. Die meldingen helpen om de intensiteit per plek in kaart te brengen.
Wat ik er zelf het mooiste aan vind, is dat de meetgegevens over Groningen zo nauwkeurig zijn geworden dat het KNMI sinds 2015 bevingen vanaf 1,5 meldt, omdat het netwerk toen flink werd uitgebreid. Het aantal bevingen in Groningen neemt de laatste jaren af, maar sterke bevingen blijven mogelijk. In november 2025 was er nog een beving van 3,4 bij Zeerijp. Wil je weten hoe het KNMI vergelijkbare vragen over het weer beantwoordt, lees dan ook ons stuk over hoe het KNMI een warmterecord bepaalt.







